Woordenlijst

Bij computers worden heel veel engelse woorden gebruikt. Ik probeer hieronder de meest voorkomende woorden uit te leggen.

Aanmelden = Toegang krijgen op de website door je gegevens in te vullen op een formulier.

Account = Een inlogcode op internet voor een website. Je hebt meestal een account nodig om iets te komen of te bekijken op de website. Op Oefenen.nl heb je ook een account nodig om te kunnen oefenen.

Adresbalk = Een plek op een internetpagina waar je een internetadres of zoekwoorden kunt intypen.

Printen = Afdrukken. Een plaatje, foto of tekst op papier afdrukken.

App = Afkorting van application, oftewel toepassing. Is een programma dat je op je computer, tablet of telefoon zet.

Arrabas = Apenstaartje. Dat is dit teken: @. Een e-mailadres bevat altijd een apenstaartje.

Back-up = Kopie van gegevens op je computer, tablet of telefoon (zodat je ze niet kwijtraakt).

File = bestand. Een tekst, een foto, een filmpje of muziek op de computer.

Attachment = Bijlage.Is een bestand, zoal een tekst of een foto, die bij een e-mail zit. In sommige programma's heet een bijlage een bestand.

Browser = een programma waarmee je op internet gaat.

Chatbot = Een klets-robot. Je kunt je vraag intypen en de computer zoekt daar een zo goed mogelijk antwoord bij.

Cookies = klein programmaatje dat op je computer wordt gezet als je een website bezoekt. Een cookie houdt bij wat je op de website bekijkt. Kan zonder problemen worden verwijderd.

Cursor = Aanwijzer op het beeldscherm. Er zijn er twee. De tekstcursor wijst de plek aan waar je typt. De muiscursor wijst aan waar je met de muis bent. Als je de muis beweegt, beweegt de cursor mee. De cursor kan een pijltje zijn, maar ook een handje of een streep.

Databundel = Hoeveel gegevens je kunt downloaden en versturen met jouw internet abonnement zonder extra te betalen.

DigiD = Je gebruikersnaam en je wachtwoord waarmee je kunt inloggen op websites van de overheid en de zorg (bijvoorbeeld de Belastingdienst. Ook pensioenfondsen en anderen maken er gebuik van.

Document = Tekst die je hebt opgeslagen.

Downloaden = letterlijk neerhalen. Iets uit een centraole opslag ergens in de cloud kopiĆ«ren naar je eigen computer (laptop, tables, smartphone)

Dubbelklikken = Twee keer - snel - op een knop klikken.

E-mail = Post via de computer.

E-mailadres = Een e-mailadres heb je nodig om e-mail te kunnen sturen en ontvangen, Het ziet er bijvoorbeeld zo uit: Dit e-mailadres wordt beveiligd tegen spambots. JavaScript dient ingeschakeld te zijn om het te bekijken..

Gebruikersnaam = De naam waarmee je inlogt (bijvoorbeeld: Gerrie1963). 

Googelen = lets opzoeken met Google.

Hardware = Hardware zijn de dingen van de computer die je vast kunt pakken: de computer, het toetsenbord, de boxen, de muis, het beeldscherm.

Homepage = De eerste bladzijde van een website.

Inlogcode = De code die je gebruikt om in te loggen op een website. De code bestaat uit een gebruikersnaam en een wachtwoord.

Inloggen = Je gebruikersnaam en wachtwoord intypen op een website.

Installeren = Een programma op je computer, tablet of telefoon zetten.

Internet = Wereldwijd netwerk van computers. Zie ook WWW.

Internetabonnement = Maandelijks gebruik van internet thuis of op je mobiele telefoon. Je betaalt voor een abonnement. Gebruijk je veel internet, dan betaal je meer. Ook in het buitenland moet je opletten of je niet extra gaat betalen.

Internetbankieren = Je geldzaken regelen op internet.

Link = Tekst waar je op kunt klikken om naar een andere webpagina of een document te gaan. Meestal blauw van kleur en/of met een streep eronder.

Menubalk = In de menubalk zitten knoppen waarmee je allerlei dingen in het programma kunt doen, De menubalk zit boven in het scherm.

Online = Op internet. Oftewel: met het internet verbonden zijn.

Opslaan = Bewaren, Een bestand sla je op om het te bewaren.

Opslaan als = Een bestand een (nieuwe) naam geven en daarna bewaren.

Phishingmail = E-mail van criminelen op internet. Te herkennen aan raar e-mailadres (kijk eens in de spam-folder van je e-mail) of aan een slordige tekst). ook dat je snel moet reageren is een teken dat het om spam / phishing mail gaat. Wordt steeds lastiger omdat de techniek hard vooruit gaat en je geen onderscheid meer kunt maken. 

Pop-up = Een schermpje dat opeens op je scherm komt. Het kan reclame zijn of een vraag of mededeling, zoals: Wil je dit bestand openen? Ook hier goed opletten!!!

Printen = Een tekst, plaatje of foto op de computer afdrukken op papier.

Profiel = De gegevens die andere mensen van jou kunnen zien o.a. op sociale media.

Prullenmand = Hier komen de e-mails of teksten die je weggooit. Blijven daar staan. Die kun je in de prullenbak zelf weggooien.

Registreren = Je aanmelden op een website of in een programma door je gegevens in te vullen op een formulier.

Sociale media = Programma's en websites waarmee je contact hebt met andere mensen (bijvoorbeeld WhatsApp, Skype, Facebook).

Software = Software is de naam voor programma's die op je computer staan, bijvoorbeeld om te kunnen printen, om een spelletje te kunnen spelen, om een tekst te kunnen typen.

Spam = E-mails die aan heel veel mensen tegelijk worden gestuurd. Meestal is het reclame. Zie ook phishing.

Spatie = Een stukje wit tussen woorden op de computer. Je maakt een spatie door op de spatiebalk te klikken.

Uitklapvenster = Dit is een schermpje dat verschijnt als je ergens op klikt (b.v. met de rechter muistoets). In het schermpje kun je vervolgens dingen zien.

Uitloggen = Een website verlaten door op de knop uitloggen te klikken. Dit doe je alleen als je eerder ingelogd hebt op de website. Zo blijven je gegevens veilig.

Updaten = Een nieuwe versie van een programma installeren. Een nieuw bericht plaatsen.

Wachtwoord = Geheim woord/aantal tekens/code die jij alleen kent, Met een wachtwoord kun je inloggen.

Website = Een verzameling pagina's op internet, van bijvoorbeeld een bedrijf, een organisatie of een winkel.

Wifi = Draadloos internet.

WWW = Afkorting van: World Wide Web: het wereldwijde web. Internet dus.

Zoekbalk = Een plek op een website waar je woorden kunt typen om iets te zoeken.

Zoekmachine = Een programma op internet om informatie te zoeken op internet.

Zoektermen = Woorden die je gebruikt om informatie te vinden op internet. Je typt de woorden in de zoekbalk op een website.